Verpakking, opslag en toepassing van groeimedia

30 JUNI 2021

Het vijfde en laatste webinar uit de serie voor gecertificeerde bedrijven ging over verpakking, opslag en toepassing van groeimedia. De eerste vier webinars vatten we eerder al samen. Deze gingen over veiligheid, pH en voeding, fysische eigenschappen en samenstellen van groeimedia. Nu gaan we in op het laatste stuk van de substraatketen.

Bij de verpakking, opslag en toepassing van groeimedia zijn er enkele belangrijke fysische, chemische en biologische aandachtspunten om rekening mee te houden.

Verpakking groeimedia

Er zijn verschillende manieren om groeimedia te verpakken. Naast los gestort bijvoorbeeld in zakken, big bags, geperste balen en big bales. Het probleem met verpakkingen is dat deze met name ten dienste staan aan logistiek, niet aan behoud van kwaliteit van de inhoud. De luchtdichtheid van een verpakking heeft gevolgen voor de kwaliteit van het groeimedium dat erin is verpakt. Dit is het geval bij op veen gebaseerde groeimedia, maar het speelt nog veel sterker bij groeimedia gebaseerd op andere organische grondstoffen. Deze kunnen namelijk veel meer biologische activiteit hebben, waardoor anaerobe omstandigheden ontstaan.

Afbraakproces
Er is altijd afbraak van organische stof. Micro-organismen hebben koolstof nodig. Om koolstof te winnen, tasten zij de organische stof aan. Bij dit afbraakproces verbruiken de bacteriën ook voedingsstoffen en vooral stikstof. Vocht, temperatuur en zuurstof zijn van invloed op dit afbraakproces. Als er biologische activiteit is, dan zullen met name de aerobe organismen zuurstof verbruiken. Een hoge temperatuur kan het afbraakproces aanjagen. Maar als de grondstof droog is, dan heeft de temperatuur veel minder effect. En als er geen biologische activiteit is, dan ontstaat er ook geen zuurstofgebrek en blijft de voeding en koolstof op orde. Hoe langer de opslagduur, hoe sterker afbraak zijn beslag krijgt.

Andere processen
Naast afbraak spelen in de verpakking nog meer processen een rol, zoals de dynamiek rond componenten. Door bekalking vindt pH-stabilisatie plaats, maar vormt zich ook CO2. Dit CO2-gas kan zich in de verpakking opblazen als een ballon. CO2 kan ook zuurstof verdringen, waarmee de toestand in de verpakking versneld anaeroob wordt. Mineralisatie (ammonificatie, ammoniakvorming, nitrificatie) van organische meststof heeft impact op pH en zuurstof. Ook kan voeding uit gecoate meststoffen (CRF) tijdens opslag/transport al vrijkomen, indien deze zijn gedoseerd. Per component is het belangrijk om te bedenken wat voor invloed het heeft op het substraat, om ervoor te zorgen dat het groeimedium bij de kweker wordt afgeleverd zoals het bij productie was bedoeld.

Aeroob en anaeroob
Aerobe bacteriën verbruiken ook stikstof, waardoor in een product bij aankomst al stikstof is geïmmobiliseerd in het bacterieleven. Zelfs in een goed beluchte verpakking, kan er met een biologisch actief substraat dus toch veel gebeuren. Door afbraak en daarmee zuurstofverbruik ontstaan anaerobe omstandigheden in de verpakking. En als het anaeroob wordt, dan ontstaat er verlies van NO3 door denitrificatie. De stikstof gaat als N2-gas de lucht in en is definitief verloren en niet meer beschikbaar voor de plant. En als dat op is, kunnen de bacteriën verdergaan met SO4 (sulfaat), met de bekende rotte eierenlucht (H2S-gas) tot gevolg. Onder ernstige anaerobe omstandigheden gaan daarna sommige bacteriën eventueel aanwezige suikers afbreken en ontstaat een mestlucht. Anaerobie leidt stap voor stap tot allerlei afbraakprocessen, waarbij uiteindelijk ook toxiciteit voor planten kan ontstaan.

Uit dit alles blijkt dat bij het verpakken van substraten er veel meer oog moet zijn voor het behoud van kwaliteit. Hierbij moet rekening worden gehouden met de processen die zich afspelen in de verpakking.

Opslag en transport

De opslagduur – ook de tijd bij de dealer en klant meegerekend – moet in de gaten worden gehouden. Daarbij is ook de temperatuur een aandachtspunt. Hoe hoger de temperatuur, hoe meer afbraakprocessen kunnen worden verergerd. Bij opslag en transport van een verpakt groeimedium, kan worden gelet op zuurstof (perforatie verpakking, bulkdichtheid), vocht (droger), bemesting (anders, geen stikstof) en de samenstelling van grondstoffen in het groeimedium. Hier moet nog veel onderzoek naar plaatsvinden.

Verandering eigenschappen door aanpassing recept

Als het nieuwe groeimedium bij de kweker komt en wordt toegepast in de teelt, dan is het belangrijk dat hij weet wat er gaat veranderen vergeleken met de eerdere situatie. Op die veranderingen kan hij dan inspelen. Het is allereerst belangrijk de verschillende chemische en fysische eigenschappen van "het huidige mengsel" goed in kaart te brengen door analyse. Lang niet altijd zijn deze gegevens voor handen. Deze eigenschappen zijn het uitgangspunt voor de aanpassing. Wanneer het bestaande en het nieuwe mengsel verschillen laten zien, wordt duidelijk waarop de kweker moet anticiperen. Het is vaak raadzaam om eerst te werken met een proefmengsel in een klein vak, voordat aanpassingen in de gehele teelt worden doorgevoerd. Zo kunnen teeltproblemen worden voorkomen. Een kweker moet vaak ook wennen aan de nieuwe situatie. 

Watergift
De kweker zal mogelijk anders moeten watergeven. De waterbuffer, waterbinding, waterverdeling en wateropnamesnelheid van nieuwe groeimedia zijn doorgaans heel anders, dan hij gewend was. Belangrijk is dat de kweker goed in de gaten houdt wat er gebeurt in de teelt en hierop anticipeert. Het watergehalte en de zuurstofdiffusie hebben een duidelijke onderlinge wisselwerking. Waar water in het wortelmilieu zit, is er geen ruimte voor zuurstof. Watergeefstrategieën – veel of weinig en hoe vaak watergeven – hebben invloed op de beschikbaarheid van voldoende zuurstof en daarmee op de beworteling. Watergehaltesensoren zijn een goed hulpmiddel bij het bepalen van een passende watergeefstrategie.

Bemesting
Ook kan het zijn dat de kweker anders moet bemesten. Vaak hebben nieuwe groeimedia van zichzelf al hoge voedingswaarden bij de start en een kleinere pH- en voedingsbuffer, wat een minder stabiele pH en minder stabiele gehaltes van kationen tot gevolg heeft. Die kleine buffer heeft ook effect bij de mineralisatie en nitrificatie van organische meststoffen. Frequente voedingsanalyses (elke 4 tot 6 weken) waarbij wordt gelet op sterk afwijkende waarden, helpen bij de juiste bemestingsstrategie.

Voor RHP-gecertificeerde bedrijven: u kunt de hand-outs van de presentaties van de webinars downloaden op Mijn RHP.

Meer nieuws? 

toon alle items